
De lespraktijk van Markus Altena Davidsen
Komende tijd stellen verschillende collega’s levensbeschouwing/godsdienst, lid van de VDLG, zichzelf en hun lespraktijk voor. De interviews geven een kijkje in de keuken en maken de kennis die er in scholen is zichtbaar. Ook verschillende opleiders en onderzoekers laten je kennismaken met hun werk binnen ons vakgebied.
Wie ben je, waar werk je en welke werkzaamheden doe je?
‘Ik ben Markus Altena Davidsen. Ik kom uit Denemarken, in de buurt van Aarhus, waar ik ook religiewetenschappen heb gestudeerd. Op een conferentie voor studenten religiewetenschappen heb ik mijn Nederlandse echtgenote ontmoet, en omdat ik het geluk had een internationale promotiebeurs te krijgen, ben ik in 2008 naar Nederland verhuisd om in Leiden aan een promotieproject te werken. Aan de Universiteit Leiden werk ik nog steeds – sinds 2015 als universitair docent godsdienstsociologie. In mijn werk houd ik me bezig met onderwijs en onderzoek op een aantal gebieden: godsdienstsociologie, nieuwe religies, theorie en methode van de religiewetenschappen en steeds meer onderwijs over levensbeschouwing en religie. Ik geef les in de bachelor en de master religiewetenschappen in Leiden en heb daar dan ook aan de wieg gestaan van de oprichting van een tweejarige geïntegreerde educatieve master die de vakmaster en de educatieve postmaster integreert. Verder ben ik betrokken in verschillende landelijke initiatieven. Het belangrijkste is Expertisecentrum LERVO, waar ik sinds 2020 projectleider curriculum ben en met veel plezier samenwerk met enthousiaste collega’s over de hele breedte van het onderwijs – docenten, lerarenopleiders, wetenschappers en bestuurders. Mijn taak daar is om de ontwikkeling van een landelijk curriculum voor het vakgebied Levensbeschouwing en Religie in goede banen te leiden en daarbij een reeks Inspiratieboeken te redigeren waar een nieuwe vakdidactiek – de perspectievenbenadering – wordt uitgelicht.
Ik ben ook betrokken bij het tijdschrift Religie & Samenleving. Dat doe ik om meerdere redenen. Ik vind het belangrijk dat het tijdschrift een ontmoetingsplek wil zijn van wetenschappers en professionals in bijvoorbeeld het onderwijs en de geestelijke verzorging. Binnen de redactie ben ik verantwoordelijk voor het dossier onderwijs. Momenteel ben ik bezig een themanummer over religiewetenschappelijke vakdidactiek samen te stellen dat in juli van dit jaar verschijnt. In dit nummer doen promovendi en onderzoekers – waarvan meerdere ook als docent of lerarenopleiders werken – verslag van lopende onderzoeks- en onderwijsvernieuwingsprojecten op het gebied van onderwijs over religie, levensbeschouwing en burgerschap. Het tijdschrift is open access, maar themanummers kun je ook ouderwets op papier bestellen. Het themanummer is tot stand gekomen in samenwerking met de werkgroep Religiewetenschap en onderwijs van het Nederlands Genootschap voor Godsdienstwetenschap (NGG) en het nieuw vakdidactisch meesterschapsteam voor levensbeschouwing en religie.’
“Wat ik heb meegekregen van mijn ouders, wat een belangrijke rol speelde in hun geloof, was het uitstellen van oordelen.”
Wat heeft je doen kiezen voor het vak?
‘Het ging een beetje vanzelf. Ik kom uit een geslacht van dominees, godsdienstdocenten en organisten. Mijn moeder is dominee geweest in de Deense volkskerk, de Lutherse kerk. Mijn vader was hoogleraar Nieuwe Testament. Het ging dus natuurlijk veel over religie bij ons thuis. Een oom gaf levensbeschouwing op de pabo in Denemarken, nog een oom was godsdienstdocent in het voortgezet onderwijs, een andere oom was organist. Mijn zus heeft levensbeschouwing (en Deens) gegeven op de Deense basischool.
Omdat ik toen ikzelf op school zat, veel van religie wist, vond ik dan ook de vakken christendomskunde (zo heet het vak op de Deense basisschool) en religie (zo heet het op de middelbare school) leuk en deed ik dat goed. Maar eigenlijk was wiskunde mijn beste vak. Op een gegeven moment moest ik natuurlijk een studie kiezen. Ik wilde een tweejarige opleiding als ‘chaospiloot’ doen om evenementenmanager te worden. Ik had in mijn dorp, waar ik al als muziekdocent werkte, al het initiatief genomen tot een jaarlijks muziekfestival en wilde meer van dat soort werk doen. Maar ik was pas 20 en moest 23 zijn om met die opleiding te kunnen starten. Ik moest dus een paar jaar overbruggen en ging dan maar iets studeren aan de universiteit. Ik twijfelde tussen muziekwetenschap, geschiedenis en religiewetenschap en koos uiteindelijke het laatste omdat een vriendin van mij dat ook deed. Tijdens het eerste jaar studeerde ik nog niet zo hard, omdat ik ook veel tijd stak in een tamelijk groot ‘didactisch live rollenspelproject’ over de kerstening van Denen dat ik organiseerde in de kerk van mijn moeder. Vijftig jongeren van 14 jaar deden daaraan mee als onderdeel van hun vormsel. Dit was mijn debuut in levensbeschouwelijk onderwijs en ik heb hier toen ook mijn eerste artikel over gepubliceerd, in een godsdienstpedagogisch blad van de Deense Volkskerk.
Door de studie religiewetenschap werd ik snel gegrepen en ik was ook actief in de studentenpolitiek en was de eerste redactiechef bij een nieuw studentenblad van theologie- en religiewetenschapstudenten in Aarhus. Ik bedacht de naam van het blad: Figenbladet (Het Vijgenblad). Tijdens mijn studie hield ik me echter verder niet bezig met religieonderwijs of godsdienstpedagogiek. Ook mijn promotieproject ging heel ergens anders over, namelijk over wat ik fiction-based religions noem, dus religies gebaseerd op fantasyboeken of -films, in mijn geval de boeken van Tolkien. Ik zat dus echt in de hoek van hedendaagse, laatmoderne spiritualiteit.
Vanaf 2011, eerst nog naast het promotietraject, ben ik onderwijs gaan geven in Leiden. En hoe meer ik onderwijs gaf, hoe leuker ik het begon te vinden. Vanuit mijn eigen onderwijspraktijk groeide dan ook mijn belangstelling voor onderwijs op andere niveaus zoals de middelbare school. Nu mijn kinderen op de basisschool zitten, vind ik het ook weer belangrijk en interessant wat daar gebeurt. De laatste maanden voor de jaarwisseling hadden ze op de school van mijn kinderen het thema geloof en vroegen ze of er ook ouders waren die daar iets over te vertellen hadden. Toen voelde ik me wel geroepen en ben ik in groep 2, 4 en 8 daarover gaan vertellen. In het voortgezet onderwijs heb ik niet gewerkt, maar ik heb in een tussenjaar na het afronden van de middelbare school en mijn studie op de universiteit gewerkt als invaldocent, waarbij ik allerlei verschillende vakken gaf. In de omgeving van Leiden heb ik ook veel gastlessen gegeven op allerlei middelbare scholen, al voordat ik betrokken raakte bij LERVO.’
“Het curriculum van LERVO begint te landen. Mensen geven aan: ‘Hier kunnen we iets mee. Het geeft richting, maar ook nog voldoende ruimte voor onszelf, om daar als docent onze eigen draai aan te geven.”
Wat is voor jou belangrijke inspiratie in je werk?
‘Ik noemde eerder het gezin waar ik uitkom. Je merkt vaak dat je daar meer door gevormd bent dan je doorhebt. Hoewel mijn moeder dominee was en mijn vader hoogleraar lag geloof er niet zo dik bovenop in wat wij thuis deden. Dat is misschien ook typisch Deens. Wij kenden bijvoorbeeld niet voor het eten een tafelgebed. Behalve bij Kerst, want dan baden we het oude tafelgebed van opa, die ook dominee was geweest. We gingen ook niet zo vaak mee naar de kerk. Wat ik heb meegekregen van mijn ouders, wat een belangrijke rol speelde in hun geloof, was het uitstellen van oordelen. Dat je goed luistert naar elkaar en elkaar probeert te begrijpen. Dat je niet te snel de ander wegzet als verkeerd of als iemand die er niet bij hoort. Dat is wat ik meeneem in mijn werk en mijn eigen onderwijspraktijk. Dat is een van de dingen die mij voedt. Net als het ontmoetingsaspect dat je terugziet in ons vak en dat ook in het curriculum van LERVO belangrijk is.’
Wat zijn successen in je onderwijs waar je trots op bent?
‘Ik ben in ieder geval ontzettend trots op wat we met LERVO hebben bereikt. Ik wil daarmee niet zeggen dat we klaar zijn, want dat zijn we helemaal niet. Maar überhaupt het feit dat we met twintig partners er in slagen, in een veld dat enorm gefragmenteerd is, om bij elkaar te blijven en naar elkaar toe te groeien – daar ben ik heel erg trots op en blij mee. Wat niet wil zeggen dat het mijn verdienste alleen is, want dat is het zeker niet. Ik heb er veel tijd en energie in gestoken en ik ben blij nu met het eerste inspiratieboek – en er zijn meerdere op komst – en met de mooie studiedagen van de VDLG, vorig jaar en dit jaar, die hierbij aansluiten. Het curriculum van LERVO begint te landen. Mensen geven aan: ‘Hier kunnen we iets mee. Het geeft richting, maar ook nog voldoende ruimte voor onszelf, om daar als docent onze eigen draai aan te geven.’ Daar ben ik trots op. We voeren nu het gesprek hoe we verder gaan met LERVO na 2028, het moment tot waar de partners financiering hebben toegezegd. Was LERVO een project of gaan we door om hogere ambities te realiseren en uit te bouwen? Er is nog veel werk te doen naast het afmaken van het curriculum, het publiceren van de resterende inspiratieboeken en het ondersteunen van scholen bij het implementeren van curriculum. We willen ook graag in gesprek met methodemakers zodat ook in methodes het gedachtegoed van LERVO terugkomt, en we willen samen met de VDLG samenwerking tussen de docentenopleidingen faciliteren zodat docenten ook worden opgeleid en toegerust om hiermee te werken.
‘Ik denk dat je met inclusief onderwijs en een brede brugklas van de eerste, twee of drie jaren van de middelbare school veel meer kunt bereiken in termen van sociale samenhang dan met burgerschapsonderwijs, wat een soort symptoombestrijding is van het gebrek aan cohesie.’
Samenwerking van universitaire- en hbo-opleidingen is daarbij heel belangrijk. Bijvoorbeeld zou het goed zijn om doorstroommogelijkheden tussen de opleidingen te vergemakkelijken, zodat meer docenten die hun tweedegraads bevoegdheid hebben behaald makkelijker kunnen doorstromen naar een eerstegraadsopleiding aan de universiteit. Daarnaast is ook een vraag voor de toekomst of LERVO ook iets kan gaan betekenen voor het primair onderwijs en voor de pabo’s.’
Wat is een vraagstuk of een uitdaging in het vak waar je nu vooral aan werkt?
‘Waar ik me nu in verdiep is meer algemene vormingstheorie. Ik lees niet alleen Biesta maar ook Nederlanders en Vlamingen die in de Duitse Bildungstraditie staan of geïnspireerd zijn door Engelse onderwijsfilosofen. In de Nederlandse context gaat het bijvoorbeeld om Jan Dirk Imelman en Wilna Meijer. Zij doordenken de vraag wat algemene vorming is, en dat is een vraag die ik mijzelf ook stel. Ook omdat we ons met LERVO de vraag stellen wat de bijdrage van ons vak is aan een groter schoolgeheel. Zoals ik nu naar de zaak kijk, houdt algemene vorming drie zaken in. Ten eerste is het doel van algemene vorming mondigheid. En omdat het funderend onderwijs algemeen vormend hoort te zijn, is mondigheid dus ook het doel van de school überhaupt. In het Duits spreekt men van Mündigkeit, en ik gebruik, net als Imelman, mondigheid als het vermogen om zelfstandig, weloverwogen en goed geïnformeerd te kunnen handelen. Om mondigheid te bereiken is het van belang dat leerlingen kennis maken met veel verschillende vakgebieden en perspectieven. Algemene vorming is daarom per definitie brede of veelzijdige vorming. Hierbij hoort inzicht in hoe de natuurlijke en sociale wereld in elkaar steekt, maar ook lichamelijke, praktische en expressieve vaardigheden zoals kunnen zwemmen, koken en zingen.
Voor het vakgebied levensbeschouwing en religie is een gevolg van de gedachte dat het onderwijs breed vormend moet zijn, dat ons vakgebied absoluut niet kan missen op de lessentabel, ook niet in het openbaar onderwijs. Voor het bijzonder onderwijs betekent een koers op mondigheid als hoogste doel, dat onderwijs in levensbeschouwing en religie naast een eventueel socialiserende dimensie ook leerlingen in contact moet brengen met andere geloven en andere perspectieven dan het eigen.
Het derde aspect van algemene vorming is dat die voor allen hoort te zijn en gezamenlijk aangeboden hoort te worden. Een algemeen vormend onderwijsstelsel is met andere woorden inclusief ingericht en met oog voor kansengelijkheid. Ik ben een groot voorstander van de brede brugklas en van een latere scheiding van de leerlingen over verschillende niveaus. Ik denk dat je met inclusief onderwijs en een brede brugklas van de eerste, twee of drie jaren van de middelbare school veel meer kunt bereiken in termen van sociale samenhang dan met burgerschapsonderwijs, wat een soort symptoombestrijding is van het gebrek aan cohesie. Als je leerlingen langer bij elkaar houdt, is dat denk ik veel effectiever.’
Wat betekent de VDLG voor jou, en wat zou je graag nog meer zien binnen de VDLG?
‘Omdat ik zelf niet onderwijs geef in het voortgezet onderwijs, ben ik een ander soort lid dan de meesten. Ik ben wel al lang lid en vind het een prachtige vereniging. Ik vind ook dat de VDLG de laatste jaren een heel goede ontwikkeling heeft meegemaakt. De studiedagen zijn steeds inhoudelijker geworden en dat vind ik een goede zaak. Veel docenten levensbeschouwing zijn al uitmuntende pedagogen en mentoren, en daarin ligt vaak een groot deel van hun professionele identiteit trots. En terecht! Aan de andere kant is het dan wel belangrijk dat de VDLG bij de studiedagen en in de professionaliseringsbijeenkomsten die de vereniging organiseert met de opleidingen ook aandacht vestigt op een ander aspect van de professionaliteit van de docent GL, namelijk als inhoudelijke deskundige. Dat aspect raakte voorheen een beetje ondergesneeuwd. Ik zie nu een betere balans tussen aandacht voor het relationele en het vakinhoudelijke.’
Wat zou jij VDLG en je collega’s binnen de vereniging kunnen bieden? Waar ligt jouw expertise of kwaliteit?
‘Ik wil blijven bijdragen aan samen met de VDLG optrekken op het gebied van met name docentprofessionalisering. Meedenken over studiedagen wanneer dat relevant is. Ik denk niet dat LERVO elke studiedag moet inkleuren, maar zoals nu bij de lancering van het eerste inspiratieboek, is het goed. In elk geval ben ik bereid om ook bij toekomstige studiedagen een bijdrage te leveren. Ook in vraagstukken op het gebied van professionalisering en bekwaamheidseisen voor een docent levensbeschouwing werk ik graag mee.’
Bronnen
- Onderwijs en onderzoek Markus Davidsen – Leiden University
- Expertisecentrum LERVO – Levensbeschouwing en Religie in het Voortgezet Onderwijs
- Meesterschapsteam Levensbeschouwing en Religie
- Tijdschrift Religie & Samenleving (open access)