Boekbespreking Is de Bijbel echt gebeurd? Alternatief voor een alles-echt-gebeurd-geloof
Jiska van Hooijdonk, Is de Bijbel echt gebeurd? Alternatief voor een alles-echt-gebeurd-geloof. KokBoekencentrum, 2026.
Hoe schrijf je een recensie van een boek wanneer je zelf niet tot het beoogde lezerspubliek behoort? Die vraag diende zich bij herhaling aan tijdens het lezen van dit werk. Jiska van Hooijdonk – onder meer docent Bijbelwetenschappen in het hoger onderwijs – richt zich primair op protestantse en evangelische christenen die worstelen met wat zij een ‘alles-echt-gebeurd-geloof’ noemt: een geloof dat uitgaat van de letterlijke, historische waarheid van de Bijbel en het daarop gebaseerde narratief van de heilsgeschiedenis.
Dit geloof kan onder druk komen te staan wanneer inzichten uit de historisch-kritische methode serieus worden genomen. Kritische historici uiten immers al langere tijd twijfel over de historiciteit van zowel het Oude als het Nieuwe Testament. Tegen die achtergrond stelt dit boek de vraag: als de Bijbel historisch niet betrouwbaar is, hoe kan zij dan nog als zinvolle geloofstekst gelezen worden?
Als zenboeddhistisch godsdiensthistoricus (en didacticus) houd ik mij om twee redenen niet direct met deze vraag bezig. Ten eerste ben ik sterk gevormd door de historisch-kritische methode, waardoor ik mij minder vertrouwd voel met expliciet theologische benaderingen. Ten tweede speelt God geen rol in mijn eigen levensbeschouwelijke praktijk; mijn belangstelling voor Jezus wordt mede gevoed door werken als Kenneth S. Leong, The Zen Teachings of Jesus. Zulke titels zullen vermoedelijk minder snel op het nachtkastje van Van Hooijdonks doelgroep liggen. Deze positionering acht ik relevant, omdat zij mijn leeservaring en beoordeling kleurt.
Mijn oordeel over dit boek blijft ambivalent. Enerzijds is het een helder geschreven werk. In de delen 1 en 2 biedt Van Hooijdonk een toegankelijke uitleg van de historisch-kritische methode, ondersteund door treffende metaforen. Zij laat zien hoe Bijbelteksten tot stand zijn gekomen via redactionele processen, waarin redacteuren materiaal verzamelden, ordenden en interpreteerden. Daarmee wordt inzichtelijk hoe verschillende tijdslagen en historische contexten in de teksten samenkomen, en hoe kennis daarvan ons begrip van auteursintenties kan verdiepen. De auteur illustreert deze processen met concrete voorbeelden uit verschillende Bijbelboeken, waardoor abstracte methodologische overwegingen goed navolgbaar worden. In deze uitwerking onderstreept zij impliciet een kernpunt: de Bijbel kan niet zonder meer als historisch betrouwbaar worden beschouwd, althans niet in moderne wetenschappelijke zin.
Vanaf deel 3 verschuift de aandacht naar de Godsleer. Centraal staat het begrip nunc stans: God bestaat niet binnen de chronologische tijd, maar ervaart alles in een tijdloos ‘nu’, terwijl Hij zich tegelijkertijd in de menselijke tijd manifesteert. Vanuit dit perspectief kan de Bijbel niet primair als historische bron worden gelezen, maar als getuigenis van mensen die in hun historische context ervaringen met God hebben verwoord. Die ervaringen worden noodzakelijkerwijs uitgedrukt in symbolische taal, omdat God het menselijk kenvermogen overstijgt. Grote delen van de Bijbel zijn daarom beter te begrijpen als symbolische vertellingen, verwant aan mythen en legenden.
Van Hooijdonk presenteert deze classificatie nadrukkelijk niet als problematisch. Onder verwijzing naar Paul Ricoeurs concept van de ‘tweede naïviteit’ pleit zij voor een hernieuwde lezing van de bijbelverhalen: een lezing die volgt op kritische analyse, maar opnieuw openstaat voor hun symbolische betekenis. De historisch-kritische methode fungeert hierbij als instrument om verstarde interpretaties te doorbreken en ruimte te scheppen voor nieuwe betekenistoekenning. Ook deze delen zijn zorgvuldig opgebouwd en rijk aan illustratieve voorbeelden.
Toch roept het boek bij mij vragen op. Allereerst betreft dat de omgang met mythische en symbolische taal. Van Hooijdonk erkent dat bepaalde Bijbelverhalen beter als mythen of legenden te begrijpen zijn. Dat standpunt deel ik. Tegelijkertijd blijft de plaats van de Bijbel binnen het bredere veld van antieke mythologie onderbelicht. Verhalen uit het oude Nabije Oosten – zoals het Gilgamesj-epos – en tradities rond figuren als Mithras en Dionysus vertonen aantoonbare parallellen met Bijbelse motieven. Indien de historisch-kritische methode consequent wordt toegepast, verdient ook deze vergelijkende context aandacht. De auteurs en redacteuren van de Bijbel opereerden immers niet in een cultureel vacuüm. Een explicietere integratie van deze bredere culturele context had de analyse kunnen verdiepen. Daarbij maakt een dergelijke analyse het ook mogelijk Bijbelverhalen te vergelijken met verhalen uit niet-gerelateerde tradities, zoals hindoeïsme en boeddhisme, hetgeen de boodschap van auteurs en redacteurs ook kan verhelderen.
Daarnaast presenteert Van Hooijdonk de historisch-kritische kritiek op de Bijbel relatief geïsoleerd. Auteurs als Bart Ehrman, John Dominic Crossan en Marcus Borg hebben deze discussie al decennia lang gevoerd en daarbij uiteenlopende – soms confronterende – interpretaties ontwikkeld. Borgs onderscheid tussen de ‘historische Jezus’ en de ‘verkondigde Jezus’ acht ik bijvoorbeeld bijzonder behulpzaam voor het begrijpen van Bijbelse taal. Het ontbreken van een expliciete dialoog met deze traditie doet enigszins afbreuk aan de wetenschappelijke inbedding van het betoog.
Deze lacune wordt vooral zichtbaar in het slothoofdstuk, “Jezus altijd nu”, waarin de historiciteit van Jezus centraal staat. Van Hooijdonk stelt dat we niet precies weten wie de historische Jezus was en benadrukt dat de evangelisten niet schreven volgens moderne historiografische normen, maar binnen antieke conventies. Verschillen tussen de evangeliën worden geduid als aanwijzingen voor de specifieke accenten van elke evangelist, waardoor de lezer “in verbinding komt met de vertellers van het verhaal”. Bovendien laat aandacht voor symbolische taal zien hoe Jezus wordt gepresenteerd als raakpunt tussen goddelijke eeuwigheid en menselijke tijd – een moment van nunc stans.
Vanuit historisch perspectief roept deze benadering vragen op. Veel onderzoekers beschouwen de evangeliën niet als historiografie, maar als geloofsdocumenten, geschreven vanuit de behoeften van specifieke gemeenschappen. Een historisch-kritische analyse zou daarom eerst vragen welke overtuigingskracht de evangelisten in hun context beoogden. Ook de gebruikte symboliek is primair gericht op dat oorspronkelijke publiek, niet op hedendaagse lezers. De door Van Hooijdonk voorgestelde ‘tweede naïviteit’ lijkt deze context soms te relativeren, waardoor de historisch-kritische methode in dit onderdeel minder consequent wordt toegepast.
Bovendien wijzen onderzoekers als Raymond E. Brown en Bart Ehrman op een ontwikkeling in de vroegchristelijke christologie: de evangeliën presenteren niet één uniform beeld van Jezus, maar weerspiegelen een dynamisch theologisch proces. Dit inzicht kan helpen de individuele evangeliën sterker vanuit hun eigen historische situatie te begrijpen. In het boek lijkt de historisch-kritische methode echter vooral te dienen om de beperkte historische betrouwbaarheid van de evangeliën te markeren, zonder de consequenties daarvan verder te doordenken.
Deze kritische kanttekeningen moeten echter worden gelezen in het licht van mijn eigen positie. Voor mij is de Bijbel in de eerste plaats een verzameling menselijke pogingen om betekenis te geven aan het bestaan, waarbij gebruik wordt gemaakt van symbolische taal die geworteld is in bredere culturele tradities. In mijn eigen omgang met het absolute spelen teksten in het geheel een minder prominente rol. Voor lezers die wél vanuit een christelijk geloofsperspectief zoeken naar een manier om de spanning tussen historisch-kritische inzichten in de Bijbel en geloof te overbruggen, biedt dit boek waarschijnlijk waardevolle handvatten. Van Hooijdonk laat overtuigend zien hoe de historisch-kritische methode werkt, welke spanningen zij oproept ten opzichte van een letterlijke bijbellezing, en hoe gelovigen desondanks – of juist mede daardoor – de Bijbel als religieuze bron kunnen blijven benutten.
Gijs van Gaans
Gijs van Gaans is vakdidacticus levensbeschouwing/godsdienst bij de Universiteit van Amsterdam en Universiteit Leiden (ICLON) en vakdidacticus/lerarenopleider geschiedenis en levensbeschouwing bij Fontys lerarenopleiding Tilburg.
afbeelding: Magnific