Boekbespreking: Beste meneer Simons
Martijn Simons (2026) Beste meneer Simons, middelbare scholieren in gesprek met hun leraar over wat hen echt bezighoudt. Thomas Rap Amsterdam.
Als beginnend docent word ik door mensen buiten het onderwijs met enige regelmaat geridderd tot een soort frontlinieheld: iemand die het aandurft, dag in dag uit, de vermeende hordes ongeïnteresseerde pubers te trotseren die nergens meer in geloven dan hun telefoon en hun eigen onverschilligheid. Er wordt dan beweerd dat de jeugd van tegenwoordig niks meer vertelt, althans niet buiten sociale-mediaplatformen om. Martijn Simons, docent Nederlands op een middelbare school in Rotterdam, schrijft in zijn boek Beste meneer Simons dat hij dit soort verhalen ook vaak genoeg moest aanhoren op feestjes, maar in plaats van nog een keer te weerspreken wat er allemaal niet zou deugen aan “de jeugd van tegenwoordig”, liet hij zijn (ex-)leerlingen een jaar lang zelf aan het woord, via mail, over voetbal, geloof, ouders, angsten en toekomstdromen. Het resultaat is geen pedagogisch traktaat en geen ouderwetse klaagzang, maar een verzameling opvallend openhartige brieven, bedoeld voor iedereen die weleens denkt te weten wat er in pubers omgaat en open staat om zich daarin te laten verrassen: ouders, onderwijsprofessionals en simpelweg nieuwsgierige lezers.
Wie het boek openslaat, merkt al snel dat de kracht ervan niet in één overkoepelend verhaal zit, maar in een reeks op zichzelf staande gesprekken. Simons correspondeerde in totaal met elf leerlingen, en de brieven lopen sterk uiteen in lengte en thema’s. De gesprekken lezen veelal als open, spontane interviews. Of zoals een van de leerlingen het zelf stelt: “Hij [meneer Simons] stelt alleen maar vragen, wij doen het meeste werk.” Door dit concept ontstaat een spontane kakofonie aan onderwerpen: alles van ‘gloryhunters’ bij voetbalclub Sparta Rotterdam en zomerkamp in Rusland, tot analyses van de sociale structuur op school en een blik in de zelfbeelden van verscheidene leerlingen. Die verscheidenheid is meteen ook de charme van het boek: er is geen poging gedaan er één coherente puberervaring van te breien, en dat maakt het geloofwaardiger dan menig ander boek dat pretendeert “de jeugd van tegenwoordig” te vangen. Wat al die gesprekken wél gemeen hebben, zijn de diepgaande analyses en vernieuwende inzichten waarmee de leerlingen komen, en dat is meteen ook de kracht van het boek: laten zien dat jongeren goudmijnen aan diepgang zijn, zodra we de moeite nemen ernaar te delven.
Het geheel is bovendien toegankelijk geschreven en leest luchtig en vlot weg, hoewel dat wellicht ook komt doordat ik qua leeftijd dichter bij die van Simons’ leerlingen sta dan bij die van Simons zelf. Wat volgt is dan ook niet de lezing van een doorgewinterde vakgenoot, maar die van een verse collega die zelf nog volop in ontwikkeling is. Precies daarom hoop ik een verfrissende blik te kunnen bieden.
Interessanter nog is de vraag die overblijft nadat je het hebt dichtgeslagen, en die klinkt ineens een stuk minder vrijblijvend: levert Beste meneer Simons ons als onderwijsprofessionals ook daadwerkelijk handvatten om zelf beter met leerlingen in contact te komen?
Het eerlijke antwoord is dat het boek nauwelijks een overdraagbare methode biedt, maar dat lijkt me ook niet waar Simons op uit was. Simons’ correspondenten vormden een select clubje leerlingen dat al open, welbespraakt en gemotiveerd genoeg was om een jaar lang mee te doen. Niet bepaald een representatieve dwarsdoorsnede van de gemiddelde leerling dus. Hoewel iedere andere leerling net zulke diepgaande ideeën en emoties met zich mee zou kunnen dragen, wil dat nog niet zeggen dat diegene dit ook kan en wil tonen in een briefwisseling. Daar komt bij dat een jaar lang intensief individueel mailen een tijdsinvestering vergt die zich, in weerwil van de goede bedoelingen van menig docent, moeilijk laat vertalen naar de praktijk van een vol rooster en een nog voller nakijkstapel.
Misschien is het bieden van een overdraagbare methode echter niet het juiste criterium om dit boek aan af te meten. Wat het wél laat zien, is minstens zo waardevol. Ik zie een soort ‘copernicaanse wending’ in onze communicatie met leerlingen: het is niet enkel aan de leerling om zich te uiten, ook wij moeten de moeite nemen om hen te horen. Die verschuiving is precies wat het boek, misschien onbedoeld, blootlegt. Zolang de klacht luidt dat “leerlingen niks vertellen” (de vertrouwde klaagzang van feestjes en verjaardagen), ligt de aandacht vooral bij wat er ontbreekt aan de kant van de leerling die per definitie nog lerende is. Simons’ aanpak laat zien hoe weinig daarvoor nodig is om dat beeld te kantelen: geen therapeutische diepgang, geen speciale training, maar simpelweg vragen stellen en interesse tonen. De brieven ontstaan niet omdat Simons iets geavanceerds doet, maar omdat hij iets laat: ruimte, tijd, en de bereidheid door te vragen zonder meteen te sturen of te oordelen.
Daarmee wordt meteen duidelijk waarom dit boek eerder inspireert dan instrueert. Een format overtypen, zoals Simons’ vragen letterlijk overnemen, of een vast stappenplan voor “beter luisteren”, zou voorbijgaan aan wat het boek juist demonstreert: dat de vorm er minder toe doet dan de houding erachter. Veel van wat Simons doet, is bovendien niet nieuw voor wie voor de klas staat; doorvragen, leerlingen zelf invulling laten geven aan de vragen en aandachtig luisteren zijn vaardigheden die de meeste onderwijsprofessionals in meer of mindere mate al beheersen. Het verschil zit hem, denk ik, eerder in de consistentie en bereidheid waarmee Simons het toepast dan in een techniek die ontbreekt. Simons’ boek functioneert dan ook niet als een nieuwe gereedschapskist, maar als een spiegel: een herinnering aan wat we, als het er echt op aankomt, al in huis hebben. Die inspiratie is minder grijpbaar dan een methode, maar daarom niet minder waardevol.
De houding van meneer Simons doet daarbij denken aan een begrip uit het zenboeddhisme: shoshin, letterlijk ‘beginnersgeest’. Het is de blik van iemand die, ondanks jaren ervaring, een gesprek durft aan te gaan alsof het de eerste keer is. Luisteren zonder de aannames die zich in een lerarenkamer moeiteloos opstapelen: “die generatie”, “die klas”, “die leerling diezich toch nergens voor interesseert”. Simons’ kracht zit niet in een bijzondere pedagogische truc, maar in precies dit: hij weigerde, mail na mail, te varen op wat hij al dacht te weten, en liet zich keer op keer corrigeren door wat er werkelijk terugkwam. Daarin schuilt ook de ironie van mijn openingszin. De ware heldendaad is niet het dagelijks trotseren van de zogenaamd onverschillige puber, maar iets veel onopvallenders: het openhouden van die beginnersblik, jaar na jaar, klas na klas, ook wanneer de ervaring je influistert dat je het onderhand wel weet. Beste meneer Simons biedt daarvoor geen stappenplan, en dat hoeft ook niet: het volstaat als herinnering dat wie zijn leerlingen echt wil verstaan, zelf af en toe weer brugklasser moet durven zijn.
Guus Kursten is docent levensbeschouwing en geschiedenis bij het frits Philips College in Eindhoven