Boekbespreking Leren met Hoofd, Hart & Handen
Sylvia Bronkhorst en Julika Verhoeven (2025). Leren met Hoofd, Hart & Handen. Studenten AANwezig door een schat aan motiverende werkvormen. BOOM.
Ik ben van activerende didactiek. Van studenten die AAN staan. Dat maakte dat ik het boek graag wilde lezen. De auteurs gaan al goed van start door een aantal niet allemaal orthodoxe leesaanwijzingen bij het boek te geven. Laat het bijvoorbeeld ook links liggen. Waar jij vindt dat het anders gedaan beter is. Ze formuleren vier principes die leidend zijn in het boek. Leren start bij jou, leren vereist een stevige community, gebeurt (mede) door experimenteren en mag met plezier gebeuren. Ze werken ze uit in elf Logische lessen. Door het hele boek heen benadrukken de auteurs dat onderwijs pas evenwichtig is als je de HHH uit de titel waarborgt.
AAN staan begint met weten wie ik/jij bent (les 1). Het is belangrijk zelfinzicht te hebben en met anderen met wie je samenwerkt die kennis te delen. Vroeg of laat komt uit wat je onbenoemd laat. Wat moet de ander nu weten voordat je gaat samenwerken? Een sterke community (les 2) is onontbeerlijk. Vaak ploft het samenwerken van studenten en leerlingen hierdoor in elkaar. Je kunt onvoldoende bouwen op elkaar: voorbereidingen worden niet (goed) gedaan, iemand is (zomaar) afwezig, de verwachtingen en werkwijzen blijken op de langere termijn te ver uit elkaar te liggen…. Waar zijn we aan begonnen? Het is volgens de auteurs vooral de vraag: Hoe zijn we begonnen? Hoe zijn we onderweg verder gegaan? Hoe hebben we ook toen gelet op hoe we samenwerken? Als een vervolg op Logische les 1 (wie we zijn) is het belangrijk om de ‘drives’ van elkaar te leren kennen, willen zien en te erkennen. Er is voor AAN-staand samenwerken werk aan de winkel om goede samenwerkings-voorwaarden te scheppen. Het klinkt als een open deur, maar we lopen die vaak gemakkelijk voorbij. Net als geldt voor het samenspel van competentie, autonomie en relatie. Hebben we dat als docent op voorhand voldoende mee ontworpen in wat we met de studenten of leerlingen willen ondernemen? Wat wordt jouw rol precies?
Als derde les geldt bewustzijn van het dozénd-gehalte van je onderwijs. Het spreekt voor zich. Waardoor zorg je voor een hoog activator- of aanzetters-gehalte? Daarmee hangt samen hoe je de regie van studenten en leerlingen vormgeeft (les 4). Het principe van scaffolding (eerste ondersteuning die je langzaam afbouwt) is hier doorslaggevend.
Een vijfde les is het werken met leerbogen. We vergeten vaak in het grote geheel de weg meer uit te stippelen voor studenten en leerlingen. Het grote idee en de uitkomst zit in ons hoofd als leraar, maar hoeveel is goed om ook op voorhand en tussentijds te delen met de studenten en de leerlingen? Welke leerbogen laat je onder de grote boog van het gehele project of thema zien? Die leerbogen werken als advance organizers (vooruitwijzingen op wat komen gaat in het leerproces). De auteurs benadrukken dat het misschien wel belangrijkste hierbij is leerlussen te maken. Ze bedoelen daarmee de verbinding van de ene leerboog met de andere. Ook hier kan het leren van studenten en leerlingen vastlopen. Wij hebben als docent teveel in ons hoofd hoe alles samenhangt met elkaar. Maar is dat ook logisch voor de studenten en leerlingen (misschien ventileer ik hier teveel wat ik zelf nog wel eens laat liggen in mijn lessen).
De zesde les vraagt je goed in het oog te houden hoeveel denken en hoeveel doen (HHHH) je lessen bevatten. De zevende les gaat over het ‘voor de bus gooien’ van jezelf. Uiten wat je op je hart hebt bij het werken met de studenten. Zorg je voor olifanten in het klaslokaal door dingen onbenoemd te laten? Of ben je eerlijk over wat jijzelf ervaart in het lesgeven? Het is de emotionele dimensie (wat jij innerlijk ervaart in het lesgeven) die Geert Kelchtermans onderscheidt, naast dat onderwijs een zaak is van techniek (ambachtelijkheid), moraliteit (normatieve professionaliteit) en politiek (je beslissingen die soms zelfs tegen schoolafspraken indruisen, omdat je vindt dat het de student of leerling beter doet). Ik hoorde het in een training eens mooi ‘ondertitelen’ genoemd worden. De les stilleggen en in alle eerlijkheid (‘voor de bus’) zeggen wat je bemerkt in jezelf.
De achtste les vraagt je te doen als op de kleuterschool. Ik vind het een heerlijk, ludiek gezichtspunt. We bannen het spel gemakkelijk uit ons onderwijs en vergeten gemakshalve dat we jong tot oud ook altijd de homo ludens zijn. Deze les vraagt ook strakke organisatie. Net als in de kleuterklas waar van alles naast en door elkaar heen gebeurt en het niet in het honderd loopt. De negende les vraagt aandacht te hebben voor het mogen vieren van de verschillen. We verdunnen een groep vaak tot een gemiddelde. Dat gaat uit van de aanname dat verschil complex maakt. Dat is de vraag, menen ook de auteurs. Onderwijs mag juist laten leren van verschil en kans de ervaring bieden van ontbubbelen. Het doet me denken aan een leraar die eens zei dat ze iedere les haar leerlingen een andere plek toewijst. Zo komen de leerlingen steeds met iemand anders in contact (want dat contact ontstaat echt, ziet ze). Aanvankelijk was dat voor iedereen lastig en onbehaaglijk. En op zeker moment was iedereen in de klassen voorbij deze wijze les en werd het naast precieze inhoud en werkvormen een extra verrassing bij elke les.
De tiende les wijst je op plezier en beweging. Het is de les die je bijblijft als student en leerling: waar vreselijk werd gelachen, waar iedereen (in HHH) in beweging kwam. De elfde en laatste les vraagt je de comfortzone te ‘stretchen’. De auteurs stellen dat het belangrijk is dat studenten en leerlingen zich bewust worden van waar de comfort-, leer- en paniekzone voor hen liggen. Dat vraagt niet alleen te doen en te zien waar het schip strandt, maar ook in allerlei werkvormen actief te onderzoeken waarom het een comfort (met twee vingers in de neus) en het ander (pure) paniek oplevert. En waar het nieuw, nieuwsgierig en leren wordt.
Het boek zette mij AAN. Het principe van HHH dat veel lessen node missen (en dat ik heel nastrevenwaardig vind) is een probaat middel om te scherp te blijven of we de studenten en leerlingen geheel aanspreken. Het boek riep bij het lezen andere werkvormen die ik bij de lessen in mijn didactische gereedschapskist heb op en het zette me ook aan het denken om tussenvormen – tussen wat het boek mij biedt en wat ik al heb – te bedenken. Daarmee doet het boek ook wat het ten aanzien van studenten en leerlingen belooft. Het zet AAN tot denken. Goed om het op de plank in de lerarenkamer te hebben staan. Je hebt er zeker iets AAN.
Pieter Snel
Pieter Snel is lerarenopleider levensbeschouwing bij een pabo.
beeld: Magnific