Terugkijken en vooruitblikken: Frank van der Wildt en Jesse Holtland
‘Juist de vragen waar geen simpel antwoord op bestaat, maken ons vak zo mooi’
Frank van der Wildt is docent godsdienst en Mens & Religie aan de GSR in Rotterdam. Hij volgt daarnaast de eerstegraads lerarenopleiding voor het vak. Jesse Holtland geeft godsdienst en levensbeschouwing aan het Christelijk College Nassau-Veluwe in Harderwijk. Aan het einde van het schooljaar blikken de twee jonge docenten terug op de gesprekken die hen bijbleven, de vragen die leerlingen bezighouden en de lessen die zij zelf leerden. Wat neem je als jonge docent mee uit een intensief schooljaar? Welke gesprekken met leerlingen blijven hangen? En hoe geef je les over levensvragen in een tijd waarin overtuigingen steeds verder uiteenlopen?

Kwaliteit
Hoewel Frank (foto boven) inmiddels aan zijn vierde jaar voor de klas bezig is en Jesse zijn eerste volledige jaar als docent achter de rug heeft, herkennen ze allebei hetzelfde gevoel: lesgeven betekent voortdurend blijven leren. Voor Frank stond dit jaar vooral in het teken van professionele ontwikkeling. Naast zijn lessen godsdienst verzorgt hij ook het examenvak Mens en Religie. Dat vak noemt hij zonder aarzelen ‘fantastisch’. Frank: ‘Mens & Religie is eigenlijk een vorm van religiewetenschap voor middelbare scholieren. Leerlingen leren niet alleen wat religies geloven, maar ook hoe religie werkt in samenlevingen en in het leven van mensen.’ Als voorzitter van een visitatiegroep bezocht hij samen met collega’s van verschillende scholen dit jaar een school (het Pieter Zandt in Kampen). Daar zag hij hoe docenten bewust werken aan kwaliteitsbewaking en vakontwikkeling. Voor Frank was het een bevestiging dat samenwerking tussen docenten cruciaal is. ‘Als het vak toekomst wil hebben, moeten we blijven investeren in kwaliteit, elkaar in de klas bezoeken en van elkaar leren.’

Leerlingen die het gesprek zelf dragen
Ook Jesse (foto) kijkt terug op een jaar waarin hij zichzelf als docent beter leerde kennen. Tijdens zijn opleiding lag de nadruk sterk op didactiek en gesprekstechnieken. In de praktijk ontdekte hij hoeveel ruimte leerlingen zelf kunnen creëren wanneer je hen op een goede manier eigenaarschap geeft. Een van de hoogtepunten van Jesses schooljaar speelde zich af in een vwo 5-klas. Leerlingen maakten presentaties over maatschappelijke onderwerpen die hen persoonlijk raakten, bekeken vanuit een levensbeschouwelijk perspectief. ‘Dat vond ik echt heel erg mooi,’ zegt Jesse. ‘Er kwamen hele mooie presentaties uit voort.’ Bijzonder vond hij een presentatie van een christelijke en een islamitische leerling. Aanvankelijk vonden zij het lastig om hun denkbeelden en overtuigingen naast elkaar te leggen. Uiteindelijk besloten ze juist daar hun presentatie over te maken. Ze legden verschillen én overeenkomsten naast elkaar en nodigden de klas uit om mee te denken. Jesse hoefde dat gesprek nauwelijks te begeleiden. ‘Deze twee leerlingen kregen echt een goed gesprek met de klas, waarbij het bijna als vanzelf ging.’ Juist dat is volgens hem de kracht van goed levensbeschouwelijk onderwijs: leerlingen ontdekken dat verschillen niet hoeven te leiden tot verwijdering, maar juist aanleiding kunnen zijn voor een verdiepend gesprek.
Niet bang voor moeilijke onderwerpen
Frank merkt dat leerlingen steeds meer komen met vragen over actuele thema’s. Hij geeft daar graag ruimte aan, hoewel hij moet erkennen hier ook nog sterk zoekende in te zijn. ‘Ik ben al jaren bezig met de vraag hoe om te gaan met hete hangijzers die door leerlingen worden aangedragen.’ Hij noemt onderwerpen als gender, seksualiteit en ethiek. Leerlingen hebben hoge verwachtingen als ze hem zo’n vraag stellen. ‘Op een gegeven moment vroeg een leerling uit vwo 6 naar transgender: ‘Meneer, wat denkt u dat de Bijbel daarover zegt?’ Volgens Frank verdient zo’n vraag geen eenvoudig antwoord. ‘Ik houd niet zo van snelle antwoorden. Ik vind ook dat leerlingen dat niet verdienen.’ Voordat hij antwoord geeft, probeert hij eerst te begrijpen waarom een leerling de vraag stelt. Die wedervraag helpt hem om aan te sluiten bij de behoefte van de leerling. Soms zoekt iemand kennis, soms vooral erkenning of begeleiding.
De angst om iemand tekort te doen
Juist omdat de onderwerpen gevoelig zijn, voelt Frank ook de verantwoordelijkheid. ‘Het gevaar is dat je een duiding geeft die niet aansluit bij wat een leerling daadwerkelijk wil ontdekken.’ Hij voegt eraan toe dat hij het misschien ooit zal meemaken dat een antwoord een leerling pijn doet. ‘Dat is me gelukkig nog niet gebeurd, maar dat gaat vast en zeker ooit in mijn carrière gebeuren.’ Die kwetsbaarheid of dat risicovolle hoort volgens hem bij het vak. Toch kiest hij er bewust voor moeilijke onderwerpen niet uit de weg te gaan. ‘Ik ga niet om de hete brij heen lopen.’
Hoe maak je geloof relevant?
Waar Frank vooral lesgeeft aan bovenbouwleerlingen, werkt Jesse veel met brugklassers en tweedeklassers. Daar ziet hij een andere uitdaging. Veel leerlingen groeien op zonder religieuze achtergrond. ‘Sommigen zeggen gewoon: ik geloof niet, het is niet interessant.’ Volgens Jesse weerspiegelt dat een bredere maatschappelijke ontwikkeling. Hij vertelt dat makkelijker wordt afgemeld voor een godsdienstles. ‘Dan hoor ik: ‘Het is maar godsdienst.’ Zijn antwoord is niet om harder te overtuigen, maar juist om nieuwsgierigheid te wekken. Veel leerlingen zijn niet zozeer afwijzend tegenover religie, maar hebben er simpelweg weinig ervaring mee. Hij probeert daarom dicht bij hun leefwereld te beginnen. Daardoor ontstaan soms verrassend open gesprekken.
Bij een thema als het ontstaan van de wereld start hij niet met Bijbelverhalen. ‘Iedereen heeft al ideeën over hoe de wereld is ontstaan. Praat er thuis eens over en neem die ideeën van thuis eens mee, vraag ik aan de leerlingen.’ Pas daarna komen religieuze verhalen aan bod. ‘Door zo te werken, kan ik kijken of en wanneer het past om de Bijbel erbij te openen en die verhalen naast elkaar te leggen.’ Regelmatig ziet hij leerlingen gaandeweg van houding veranderen. ‘Aan het einde van klas 1 zeggen sommigen ineens: ‘Het is eigenlijk best leuk. We praten toch over dingen die mij aangaan.’
Dichtbij
Een vraag die Frank al jaren bezighoudt, heeft te maken met zijn eerdere werk als jongerenwerker. ‘Waar ik eigenlijk al drieënhalf jaar over na zit te denken, is hoe mijn pedagogische relatie ten opzichte van leerlingen nu anders is dan toen. Als missionair jongerenwerker ben je een soort grote broer. Als docent kan dat niet.’ Hij stelt zich daarom veel de vraag: ‘Hoe dichtbij laat je ze komen? En hoe open ben je ook zelf?’ Frank kiest bewust voor een bepaalde mate van openheid. ‘Een van mijn sterke punten is, denk ik, dat ik over wat mij bezighoudt ook super transparant richting leerlingen ben. Ik laat heel duidelijk zien waar mijn eigen vragen zitten. Zodat ook leerlingen leren: hé, ik mag vragen stellen en worstelingen hebben. En ze weten: ik kan hiermee terecht.’
Een nieuw hoofdstuk
Frank richt zich komend jaar op de afronding van zijn studie. Om zich daarna met alle nieuwe kennis helemaal op zijn lessen te kunnen richten. Het jaar wordt voor hem persoonlijk extra bijzonder. ‘Mijn vrouw is zwanger van ons eerste kind. Dus dat vind ik ontzettend gaaf.’ Het voelde ook spannend. ‘Ik realiseerde me ineens dat ik zometeen dezelfde titel krijg als de titel die Jezus gebruikt om te openbaren wie God is. Namelijk vader. Ik dacht op een gegeven moment: dit is zo groot.’ Maar het bracht ook rust. ‘Omdat ik me ook kan realiseren dat Hij zich ook druk maakt om zijn kinderen.’
Verhalen
Jesse wil volgend jaar meer met verhalen werken. Hij verlangt naar meer persoonlijke inbreng door meer aandacht voor verhalen. ‘Verhalen van mezelf. Verhalen van de Bijbel. Verhalen uit andere religieuze tradities. Ook verhalen die de leerlingen meebrengen.’ Daar wil hij zijn lessen omheen bouwen. Daarnaast gaat hij een deel van zijn tijd vormingsonderwijs verzorgen in het basisonderwijs. Juist de combinatie van verschillende onderwijscontexten ziet hij als een verrijking.
Voor de zomer
Aan het einde van het gesprek krijgen beide docenten nog een luchtigere vraag: welk boek of welke film zouden ze collega’s aanraden voor de zomervakantie?
Frank vindt het een onmogelijke vraag. Hoe kies je als je aan zoveel moet denken? ‘Ik zou om te beginnen zeggen: de Bijbel. Het lijkt me duidelijk dat de Bijbel het beste verhaal ooit is. En nog waar gebeurd ook. Dus die is sowieso aan te raden.’ Daarnaast noemt hij auteurs als C.S. Lewis, Friedrich Nietzsche, Jordan Peterson, Bram Beute en Augustinus als schrijvers die hem hebben gevormd.
‘Bij C.S. Lewis denk ik niet een specifieke titel, maar hij heeft meer mooi werk. Ik heb wat boeken van Nietzsche. Waar ik het over het algemeen vaak mee oneens ben. Maar wat wel ongelooflijk interessant is om je daar aan te scherpen. Jordan Peterson heeft ook fantastische boeken geschreven. Waar ik het ook niet overal mee eens ben. Maar die je wel echt aan het nadenken zetten. Van wie ben ik en hoe doe ik de dingen? Goed onderwijs van Augustinus. Dat is echt het boek dat mij het meest gevormd heeft in mijn denken over godsdienst, pedagogiek, didactiek. En: Ik geloof, geloof ik van Bram Beute. Dat is echt een fantastisch boek. Ook om in gesprek te gaan met mijn leerlingen. Het zegt: hé, het is niet zo erg om te twijfelen. Dat mag. En als ik nog een film mag noemen: Gladiator. De eerste.’ Hij noemt het een verhaal dat hem iedere keer opnieuw raakt. ‘Dat is zo’n ongelooflijk sterk verhaal en je kunt er zo goed levensbeschouwelijke gesprekken over voeren.’
Jesse kiest één boek: Vrede op aarde van Stefan Paas. Niet omdat het pasklare antwoorden geeft, maar juist omdat het hem helpt andere vragen te stellen. ‘Het zette mij heel sterk aan het denken. Waarom geloven mensen? Waar vinden mensen God?’